Categorie: Nalezing I
Sonnet: Zooals een man een keten van fijn goud
Zooals een man een keten van fijn goud Wil uit een grote gave plaat gaan drijven, En dag aan dag zich diep gebogen houdt Over zijn werkt, dat moeilijk wil beklijven, En toch geen tijd en arbeid hem berouwt, Zijn
De eenzame
En elken dag opnieuw, bij het ontwaken, Keert hij zich droevig in zijn bedde om, Terwijl zijn handen, in nerveus gefrom, Spelen over t weggewoelde linnen laken. Hij fronselt tegen t licht dat door de blinden, Ten kier gelaten, bleek