Vandaag heb ik mijn hart aan u verloren, Rozen, zoo rood als versch vergoten bloed. Ik zie in u den ouden liefdegloed, Die, nieuw, elk jaar in ieder wordt herboren. En, o, het stille lichten der ivoren! Dit is zoo
Categorie: Nalezing IV
Dit was een dag…
Dit was een dag van heimelijk begeren, Van sterk verlangen en verholen lust. Nu wordt het avond, nu komt de rust. En Gij zult tot mijn stiller harte keren. Zoals een vogel wegduikt in zijn veren, Door t eigen trillend
San Marco
Als uw bloode driestheid durfde erkennen, Dat wij samen in den hemel waren, Zou ik dan ’t gemeen geluk niet loven Van dit zaligheid-doordrenkt bestaan? Warm is de aarde onder onze voeten, Hoog reikt ’t gras als toen wij kindren
Sonnet: Ik was tot ongevoelige aard geworden
Ik was tot ongevoelige aard geworden. God zweefde nader en hij vormde een beeld. ‘k Weet nu nog hoe zijn scheppende adem streelt. ’t Was of er kevers door mijn donker snorden. ‘k Werd los en lichter, want de loome
Slaap I, II
I Kon ik maar slapen, Slaap, u roep ik aan! Waar groeit uw diepverdoovende papaver? Ik hoor, ontzet, met ratelend gedaver, De sterren door de ruime heemlen gaan. De aarde draait grommend als een groote tol. Ik voel haar cirkels
‘k Benijdde menigmaal…
‘k Benijdde menigmaal de stille dooden, En nu ik krank ben, bid ik: Heer, nog niet. Laat mij niet sterven in dit wreed verdriet. Gun mij uw heil, want ik heb vreugd van nooden. Geen feesten, die de wangen koortsig
Dood! dacht ik …
Dood! dacht ik, maar Gij zeidet: ,,Leven!” Och, waarom moet ik leven, Heer! Wijl Ik uw laten bloei begeer, Rozen, die op Mijn adem beven. Ik wil u dwingen om te geven Bloeds zware donkerpaarse pracht. En door het glanzen
De narcis
De wereld werd zeer zuiver en zeer groot, Toen schemering de bleeke lucht vervulde. En liefelijker vlamde de vergulde Bloem in het donker hoekje bij de sloot. Er zijn maar enkelen die haar genaken, Zij lokt niet en zij weert