Als ik zwak ben, ben ik machtig. Nu en nimmer te verklaren Is het hemelsche verdriet, Dat Gij, ach, door zooveel jaren, Landman, voor ons zaaien liet. Voorlijk is het opgeschoten, Afgezicht en weer gewekt, Uitgerukt en toch ontsproten, Zelf
Categorie: De Stille Tuin
Het testament
Wanneer ik ben begraven, zullen zij dit vinden, Mijn kinderen, mijn zonen, mijn beminden. God loone ’t u, mijn jongens; uw mond en oogen hel, Uw bidden en uw lachen waren mij zoo wel. Ik heb slechts een zegen voor
Gedachtenis
Er is niet veel te weten Hij werd geboren, leed, en stierf. Zijn zonden zijn vergeten, Omdat hij Gods gena verwierf. Mogen zijn goede daden Gedacht zijn als een tarweaar. Gods zegen, vroeg en spade, Maakte hen voedselvol en zwaar.
De hyacint
In stijgende verwondering, Gesteld op ’t zondoorgloeide glas, Mijn stille dorsten onderging Een heuldronk levenlauw, mijn dood genas. Ik, nieuw en nuchter, groene loot, Glijd rustig uit mijn bruine pij. En plotsling bonst mijn hart en stoot, Zoo naar het
Tweede bloei
O knoppen, die te rijzen Waagt in het late jaar, Hoe koestert u de grijze Gekromde perelaar. Hij, die zijn laatste sappen, Een nooddronk, ziek en moe, Nog weigerde aan te tappen, Laat u bij ’t spongat toe. Hij dunt
Mijn zoon, geef mij uw hart
De zomernacht werd zwart, Toen, zacht en duidlijk klonk er Een klare stem door t donker: Mijn zoon, geef Mij uw hart! Ik aarzelde… verward… Was het de wind die zoefde? En weer zei, maar bedroefder, De stem: geef Mij
Eenzaam bidden
Het is een sidderen en belijden, Een moeizaam reiken naar het verblijden, Dat boven hem als de zonneschijn Straalt, maar zijn oogen doet het pijn. Dan wordt een stamelen zijn bidden. Er is geen zin meer en geen woord. Hij
Wie kan…
Wie kan het hart eens mans doorgronden, Wie kent zijn vreugden en zijn kwaal? O Heer, wij hebben vele vonden Gezocht, Gij weet het altemaal. Ons willens en onwetend dwalen, Ons kreunend grijpen naar uw kleed, Ons snel beloven en
Ongeloof
Door zware regendroppen Gebogen en gevuld, Heeft zon de bioode knoppen Der rozen rood verguld. Wij, kinderen die hopen Op ’t feest lang voor den dag, Beschaamd, zijn toegeslopen En wachten vol ontzag. Wij willen zien en weten Hoe God
Adam wandelt in het paradijs
Waar dezen dag te gaan? hij dwaalde door de lanen, En keek prieëlen in, en drong door kreupelhout, En zag het wringen van de slingrende lianen, Doorflakkerd en doorvlamd met de oogen van het woud De fèlle bloemen, en, of