Vergeef! verlangen, aardsch en heerlijk, Dat plotsling gaan de ziel ontsprong, Een jong begeerden, maakte jong, En hield zijn glans, ook toen het deerlijk Besef ons met ontzetting slog, Dat wie den hemel wil verwerven Zijn liefsten afgod moet ontstèrven,
Categorie: Kringloop
Werken
Gij weet, o God, hoe wij verlangen Naar alles wat tot vrede dient; Maar ach, wij weigren vaak te ontvangen Genade van den trouwsten Vriend. ’t Valt zwaar ons vrij zijn te beperken Naar ’t wenken van Uw stil gezag.
Afstand
Zie af van alles! – Heer, dat is Verlaten al wat sterflijk is, En wat, onsterfelijk, het meest Ons heeft getroost naar ziel en geest; Om zóó, van allen schat ontdaan, Gansch onbezwaard tot U te gaan, Een openheid, die
Gij komt…
Gij treedt als vreemdling bij ons binnen, En blijft en zijt ons toegedaan, En zijt beminlijk als die minnen, En rust in ons verstild bezinnen Als geurig in het blanke linnen Venkel en thijm en rozeblaân. Oopnen wij ’t schrijn
Hoe heerlijk moet de hemel zijn
Hoe heerlijk moet de hemel zijn, Als de wereld, die is gevallen, Nog zóó schoon is, dat God ons allen Losrukken moet met veel pijn: Dit verrukkelijk bloeiend onkruid; Geurige thijm en koele rozen; Vogels met wild vervoerend geluid; Fiere
Kinderspel
Kruip door, sluip door! De zon schijnt door de wolken. Ze doet het daaglijks kindren voor. Men speelt bid alle volken Kruip door, sluip door! O hart waartoe dit spel, waarvoor? Lachend naar de gespelen Verschijnt het aangezicht van dood
De vlucht
Die Gij besloot te zoeken, Hij ontkomt U niet, Al kruipt hij in de hoeken van moeite en verdriet. Gij weet hem wel te vinden In arbeids schuur, Waar hij zich als een linde- Blad drukt aan de muur. En
De beek
Gij hebt uw bedding diep gegraven, Smalle kristallen beek, Om versch te lesschep en te laven Wat bij u nederstreek. Het zaad, door God hierheen bevolen, Zocht en vond honk, Wanneer ’t zijn wortelen liet dolen Tot u, en dronk.
De peppel
Gif hebt mij dit gegeven, Dat ik zoo lang ik leef, Met vreezen en met beven, Naar boven streef. Mijn bladeren, de velen, Op hun gedraaide steel, Kaatsen in duizend deelen Uw licht geheel. In ’t veld, ver van de
De oude tuinman
Gij hebt aan mij uw woord vervuld, Mij lang in veld en hof geduld. Dies is het goed en is het recht, Dat gij mij afloont als een knecht. Ik heb u niet veel winst gebracht, Ofschoon ik zwoegde dag