Toon

Zwaar stapt, in zijn blauwlinnen broek En gapend lichtgeel boezeroen, Toon, om een soepkip op te doen In ’t nachthok; ’t fluiten flapt tot vloek Als plots een Barnevelder kloek Fladdrend en kaaklend zich verraadt. ‘Verdomme,’ bromt hij, even kwaad,