Uw dienaars, Heer, de primitieve meesters, Stonden door Uwe minne zóó in gloed, Als in de vroege lente meidoornheesters, Wier stugge hout zich blank verbloeien moet. Wie kan hun reine kleuren wedervinden? Wie heeft als zij zoo kuische lijn gezet?
Categorie: De Donkere Bloei
David spelende voor Saoel
Hij zag de bruine handen, die zoo zeker De snaren lieten dreunen naar hun wil. En somtijds greep hij naar den grooten beker En dronk zijn woede in lange teugen stil. Dan zonk hij in een slap en moe berusten,
Jerobeams vrouw
Zij hulde zich in armlijk linnen kleed En droeg, onhandig, ’t aarden kruikje honing, Maar hare schreden héérschten in zijn woning; Toen kende hij de koningin, en leed, Want hij begreep. . . . En stil wierp hij de vleet
De door Elia opgewekte jongen
Ik weet niet waar ik was, ‘k voelde een bevel Om neertedalen en ik werd gevangen. Ik bleef in koud besloten ruimte hangen, Die levend werd, toen sprong bloeds warme wel En ’t hart ontwaakte en er begon bewegen En
Elia in de woestijn
Zij hadden hun geschonden hals gerekt, De gieren, die naar versche lijken speurden, ’t Was, of zijn veege ziel hen tegen geurde, Toen hij in ’t heete zand lag uitgestrekt. Hij zag hun geile klauwen en ’t bevlekt Gevedert, dat
Jeremia I-IIII
I Hij had met wee het heilig huis vervuld, En toen zijn vloeken volk en priesters bande, Bewogen de englen langs de gouden wanden, Bleek in hun bleeke vleugelen gehuld, En weken langzaam uit ’t berookt verguld. De bloemen zonken
Nebucadnezar
Maar als zij staarden naar zijn mond, Welks lippen in den baard bewogen, Een bloedvlek op een gouden grond, Gleed er een rood floers voor hun oogen, En zagen zij hem als idool: Onder den blauwen kap der haren De
De drie jongelingen
Hij was, verbolgen, schooner dan het beeld Der ijdelheid waarvoor de scharen bogen. Hij brandde ’t netvlies der onwillige oogen, En om hem scheen de wereld vreemd vergeeld. En toen zij weigerden de stugge knie Op ’t vleiend nooden der
Jezus weende
Wij weten ’t, Heer, Gij hebt geschreid, Toen Gij den welbeminden In ’t graf moest vinden, Vuns van verderflijkheid. O, toen Gij bij den ingang stond Der groeve en men de deuren Wegwenteldel een geuren Van dood rees uit den
Stefanus
Toen zij hem sleurden voor den hoogen raad En raasden, dat hij niet meer leven zoude, Was ’t, of zijn wezen uit hun handen dauwde En werd een nevel, waar de dageraad Gulden in gloorde, en vlammend als de gouden