De moeder

Onze stugge wil ketst af vaders gezag. Als een klimroos hangt moeders mildheid over. Een blik voor ons alleen, een verholen lach, En haar stem als een vogel in avondloover. Slechts moeders liefde blijft een arm hart over Als de

Lodensteyn

Hij was zoo teeder van geweten, dat Hij ’s Heeren avondmaal niet uit wou reiken Toen zwaargetabberd met hooghartig kijken En kwijnend in haar kant, de zonde aanzat. Hij laakte den gewilden vrijen wil Als mommerij voor vuilkeur van regenten.

Dullaert

Hij was zeer ziek, en wist ’t en kloeg niet veel, Maar greep papier en stift en teekende. En dikwijls vonden zijn welsprekende Vrienden hem starend naar een klein paneel. Jaren geleden was hij deze knaap. Zijn wang werd bleeker

Revius

’t Was of de Schrift zijn levensloop verhaalde Oorlogen, twisten, vlucht en goeden keer, En zijn hardnekkig ijvren voor den Heer En hoe zijn hartstocht overwon en faalde. Godschenner was Spanjool en kananiet. En in de gramschap van zijn visioenen

Jan Luyken

Trillend verrees hij uit den witten dauw. De hanen kraaiden luid en achterdochtig. De koeien in de melkbocht brulden tochtig. Hij zong zijn malsche liedjes voor een vrouw. Plotseling greep de ziekte hem; aschgrauw Van wangen en zijn angstige oogen