Onze stugge wil ketst af vaders gezag. Als een klimroos hangt moeders mildheid over. Een blik voor ons alleen, een verholen lach, En haar stem als een vogel in avondloover. Slechts moeders liefde blijft een arm hart over Als de
Categorie: De Steile Tocht
Lodensteyn
Hij was zoo teeder van geweten, dat Hij ’s Heeren avondmaal niet uit wou reiken Toen zwaargetabberd met hooghartig kijken En kwijnend in haar kant, de zonde aanzat. Hij laakte den gewilden vrijen wil Als mommerij voor vuilkeur van regenten.
Dullaert
Hij was zeer ziek, en wist ’t en kloeg niet veel, Maar greep papier en stift en teekende. En dikwijls vonden zijn welsprekende Vrienden hem starend naar een klein paneel. Jaren geleden was hij deze knaap. Zijn wang werd bleeker
Revius
’t Was of de Schrift zijn levensloop verhaalde Oorlogen, twisten, vlucht en goeden keer, En zijn hardnekkig ijvren voor den Heer En hoe zijn hartstocht overwon en faalde. Godschenner was Spanjool en kananiet. En in de gramschap van zijn visioenen
Christus’ ommegang in het westen II
Maar werd een eed ook menigmaal geschonden, Wie zich tot God keerde in zijn angst en rouwen, Schoon hij niet in Zijn oogen durfde schouwen, Al stamelend: mijn zonden, o mijn zonden! Heelt altijd weder Zijn gena gevonden. Hij toornt
Christus’ ommegang in het westen I
Hij gaat niet meer ontfermend door de straten En predikt niet in danshuis en in kroeg. Hij waarschuwde en Hij noodigde genoeg, En is reeds bezig met ons te verlaten. Meent gij, dat Hij ons honen en verwaten Glimlachen, als
Elia op Horeb
Hij boog zich en rees moede weder, En dacht: God is een wreker heet. En langs zijn natte haren kleed Siste de felle bliksem neder. Nu komt de Heer, dacht hij, en waaide Schier van het kantelende blok. Aan den
Salomo en de koningin van Saba
Zij zag het heerschen van de stilte groot Temidden van de duizend gouden schilden Die duizend soldenieren blinkend tilden En lieten vlammen als het morgenrood. Verheven en verschriklijk als de dood, En zacht als ’t leven dat haar hart doortrilde,
Avondwandeling
Hij zag vervaard de vreemde schemeringen, Het waaien dat de schaduws wakker maakt Om schomlende lantarens, en het naakt Glanzen der ziel in de beschenen dingen. De hekken klapten en er ging een zingen Door ’t riet, dat tot de
Jan Luyken
Trillend verrees hij uit den witten dauw. De hanen kraaiden luid en achterdochtig. De koeien in de melkbocht brulden tochtig. Hij zong zijn malsche liedjes voor een vrouw. Plotseling greep de ziekte hem; aschgrauw Van wangen en zijn angstige oogen