Categorie: Nalezing III
Wereldsch liedje
Wat is het goed, naast je te staan En door je haar te strelen Glimlachend laat je mij begaan Met “’t kinderachtig spelen” Mijn hand vindt op zijn vromen tocht Je ooren en je wangenn, Heeft, u die vleier, vóór
Verlangen
Ik heb zo lang op u gewacht En nergens heil of heul gevonden. Ergens lachte het zoet en zacht . Ach, zonder u is alles zonde. Ergens lachte het zoet en zacht Ik weet wel, dat ik blij zijn konde, Als
De brieven
Brieven van overzee: uit aller heeren Landen loopen de tijdingen in: Jk werk, gezond, met lust en gewin.” Ik jaag nog naar mijn allerzoetst begeeren. ” Zij, die schat wonnen of hun wensch ontberen, Allen schrijven den klagenden zin:
Nolite iudicare
Hij heeft de hoge tol betaald Om rust te vinden: Zijn jonge leven! O dood, wat draait ge uw zware boom Gewillig open Voor die wanhopig zijn. Hij liep het grote donker in, Zó zeker, Of hij de hel verlichte
De gekrenkte jongen
Meen niet, dat hij te schreien stond, Toen hem het giftige antwoord stak. Hij voelde, dat iets in hem brak, Maar hield de glimlach om zijn mond. Even vertroebelde zijn oog, Maar daadlijk keek hij strak en koel. En sterk
Jonathan
Zijn kleedren had hij niet alleen geruild En kostbaar wapentuig, maar ook zijn leven. Hij had zijn wijsheid en zijn kracht gegeven En wat in harts verholen diepten schuilt. Voor simpele eenvoud, sterke aanhanklijkhêen, Bood hij het den gebronsden jongen
De imitatione Christi
Er zweeft een geur van wierook om de woorden, Die wonderlijk weldadig is en zoet. Zoo heerscht de rust in ’t kinderlijk gemoed Der sterk en argeloos van God bekoorden. De vuige zonden zijn zoo schel belicht, Wijl wij ze