De vader

O bitterheid van slaap en wake: Altijd te staren naar zijn keer! En huiv’ren, dat hij niet zal naken, En koppig wachten, altijd weer! Is dan mijn liefde niet bij machte Zóó sterk te wezen, en zóó wreed Dat ‘k

De moeder

O kind, dat hebt gezworven Zoo ver, om liefde en lust, En thuisbracht een bedorven Hart, hunkerend naar rust, Hier zullen ziekte en zorgen U plegen, nu, vereend Met Godes wil, geb?rgen, Ge in moeders handen weent. Wees stil, zij

Bij huis

Het zuigend zand belet mijn spoed, En teistert mijn ontvelde voeten. O rouwel en iedren stap te moeten Betalen met mijn bloed! Ontluisterd, en onteerd, berooid, Uitwasemend bederf en schande, Lig ‘k voor uw deur in ’t zonnebranden, Een gistig