Het meisje

Zij leed zoolang, dat droom en visioen Veel eerder dan haar kleederen versleten. Haar leven werd tot aan haar jeugd vergeten Zij droeg een jurkje van gebloemd. katoen. Vlak voor haar venster stond de stille tuin Wachtende; was ’t een

Radboud

Hij dacht: gedoopt, ben ik een zondelooze, Een nieuwe man, geneigd tot vrede en rust, Die needrig ’t kruis en priestervoeten kust,? Toen stond zijn denken voor het grondelooze Stil, maar hij waagde snel en koen den sprong Zijn vaadren

Mussolini

Zijn oorsprong had hij in het volk Dat donker als een donderwolk Tezamen dromde en dreigend morde. Toen vormde hij tot heir de horde. Hij richt de bliksem, waar hun vaste Oerdrift zich brandend in ontlastte. Hij drijft de bui,

Lenin

Het eerst ontnam hij hen het vaderland, En loog dat zij de wereld wederkregen. En listig ving hij in zijn wijden zegen Van haat: hun goed, hun liefde en hun verstand. Hij heelt hun ziel, dat weerloos vogelnest, Hun laatst

Le roi soleil

Het schittrend hof was maar een achtergrond, En zijn geweldigen werden coulissen, Die achter zijn snel koninklijk beslissen Tezamen schoven, en hij, stralend, stond Op ’t hoog bordes, waarvoor de tuinen lagen En de allee?n en de wateren, Bedwongen en

De oude man

Hij leeft vijandig tussen het ontluiken Van ’t vredig huisgezin; als late sneeuw Zich handhaaft in de schaduw van de struiken. En in hun dromen brengt hij angst en schreeuw. Daar is hij drijfzand voor hun zware voeten, En onweerdreigen

De schilder

Hij schilderde, en somtijds was hij dronken. Hij joeg den roes na, en hij schilderde Zelden en trager, en verwilderde Zijn wezen; uit zijn doeken sloegen vonken En duisternis; een gouden chaos zwol En spookte om aangezichten zondoorblonken. En zijn