Zij zongen stijfjes: kom toch mede, makker! Een juffrouw had hen leuterend geleid. Maar ’t bracht geen warmte en geen gezelligheid. En toen getuigde een ongezonde bakker. Hij zeide met iets zalvends in zijn stem, Of hij ongare broodjes aan
Categorie: Nalezing X
Feestdisch
De feestdisch is gedekt in ’t lommer.Wanneer het windje even waait,Komen er zonnevlammen gelaaidIn het kristal, zooals de kommerTot vuur kan worden in een dof moe hoofd.De borden, de servetten en de schalen, Het witte zilver en ’t felblank der
Klacht om Abisag
Hoe zult gij hier kunnen rusten? Al de onnut gespaarde lusten Stromen nog met zacht geruis Door uw ongerepte leden, Die nu met hun heerlijkheden Zijn besloten in dees kluis. Altijd hebt gij u onthouden Aan onmachtigen; ach, de oude
Dansende derwischen
Eerst draait er één, dan twee, dan vier, En eindlijk allen, groote tollen Die razend worden, en uitbollen, Bleeke planeeten zijn, wier zwier Men niet meer volgt, maar als vreemdstille Rondheden roereloos ziet staan. Windkolken raken elkaar aan En zoeven,