Auteur: Helma
Toen strektet Gij Uw handen uit
Toen strektet Gij uw handen uit, En naamt mij, als een vrouw de luit, Die zij met zachte hand betokkelt: Mijn ziel brak open in geluid.
Gun mij een wijl dees hooge dronkenschap
Gun mij een wijl dees hooge dronkenschap. O liefde, één teug slechts uit uw gouden nap. Wie van uw laafnis dronk met kuische lippen, Gaat hel van oogen en met vasten stap.
Dat Ge eindelijk uw hemel wilde scheuren !
Dat Ge eindelijk uw hemel wilde scheuren! U neerboogt om ons tot U op te beuren. Uw rozen zijn al rijp en donkerrood. De wereld is verwilderd door hun geuren.