Auteur: Helma
Hem zijt Gij brood, die honger leed
Hem zijt Gij brood, die honger leed; Hem drank, dien dorst versmachten deed. Die naakt door werelds doornen wringen, Bedekt Gij met Uw blinkend kleed.
’t Is goed, dat wij zoo vaak ons handen wringen
’t Is goed, dat wij zoo vaak ons handen wringen, Vertwijfeld trachten tot Uw hart te dringen. Wiens stem niet brak in lust en hevig leed, Kan straks niet met de hemelingen zingen
Over mijn oogen komt de schoons droom
Over mijn oogen komt de schoone droom; Stil zit ik onder liefdes wonderboom. God, wil geen worm van valschep haat beschikken. Laat mij gelukkig zijn, en goed, en vroom.
Zendt Gij de wereld nog geen avond toe?
Zendt Gij de wereld nog geen avond toe? Wij zijn haar langen werkdag al zoo moe. Wij zouden gaarne liefdes sabbat vieren, Als Ge ons maar zeggen wilde waar en hoe.