Bedouinen

Wij hebben de woestijn verkozen;
Ons schrikt van het beloofde land,
Met tuinen vol gekweekte rozen
En druiven langs den muur geplant.

Hoe rustig ruischt ’t gezaaide koren,
Hoe vredig loeit ’t gefokte vee;
Wie hier ontvangen en geboren
Werd, rust tot zijn ontslapen mee.

Hij steunt op wetten en op zeden,
Vindt goed en kwaad schier op den tast,
En levenslang bidt hij zijn bede
Om grooten lust en kleinen last.

Ons, hunkrenden en haveloozen,
Is de voldoening van den roof,
Wij kiezen uit uw gaard het blozendst
Ooit, van uw veld de volste schoof.

Uw wijn is ‘t, en de in haast gemolken
Melk, die ons dorsten kostlijk mondt,
Dan zoeken we als de vrije volken
Der vogels rust op dorren grond.

Wij dwalen nooit, de geur der tenten
Waait ’t ros van verre tegemoet,
En luierend, terend op uw renten,
Is ’t leven kostelijk en zoet.

Dan hongeren wij weer en dorsten
Voor vrouwen en opschietend kroost,
In erflijke armoe, fier als vorsten,
Wier nek nooit bukt, wier wang nooit bloost,

Die over tucht en trouw regeeren
Van jongen en volwassen man,
Als messen scherp, zoo rank als speren,
En vurig als een volbloed span.

Zwervend van wildernis naar weide,
Tot aan uw dierbaar heiligdom,
Ten roof in lente en herfstgetijde,
Keeren wij blij met buit weerom.

Wij zijn geweldig als ’t gewemel
Der zandhoos, en zoo los als zand,
Maar, sterrebeelden aan den hemel,
Beheerschen wij ’t beloofde land.