Bileam?

En als hij wakker lag, en ’t bonzen hoorde
Van hart en aadren, werd het tot een stem
Die uit het boek des bloeds las en ’t verwoordde.
En het verleden leefde weer in hem.

Hij zag de bloemen en hij proefde vruchten,
Beminde, en ontbeerde, en genoot,
En onderging wat hij eens droomend duchtte:
Hij was de heftig afgerukte loot

Waarmee geslagen werd, en zelf de pijnen,
Die andren leden, voelde en onderging;
Die andren tuchtigde om hen te verreinen,
En zelf geen deel had aan de reiniging.

Toen was er in zijn doffe bloed een fluistren:
O weggeworpene, Die u overmocht,
Heeft in den avond, voor het volle duistren,
Hoe vele wegen naar u afgezocht! –

Nog was het nacht, nog schenen maan en starren
Het slapend leven bleek en transparant.
Hij hoorde ’t ratelen van koets en karren,
(Wie kwam om hem?) en weende aan den wand.