De oude tuinman

Gij hebt aan mij uw woord vervuld,
Mij lang in veld en hof geduld.
Dies is het goed en is het recht,
Dat gij mij afloont als een knecht.

Ik heb u niet veel winst gebracht,
Ofschoon ik zwoegde dag en nacht.
Nu ben ik afgebeuld en krom.
Mijn kracht is heen, mijn tijd is om.

Gij steldet mij tewerk in ’t groen
Van jongen aanplant, forsch plantsoen.
Geen handspan werd uw gaard vergroot,
Maar ’t hout bleef gaaf, won tak en loot.

En beurtlings kunt gij door de laan
Van ijl lof en zwaar lommer gaan,
En langs het glooiende gazon
Genieten rozengeur en zon.

Zoo bleef ‘t, sinds ik mijn jeugd hier sleet,
Mijn handen bloedend wrocht en beet,
Omdat ? O wreek het niet ? Omdat
Uw glimlach mij gevonden had.

Maak nu mijn einde koninklijk.
(‘k Was daaglijks als een koning rijk.)
Loon me als een vriend geworden knecht,
Niet naar verdienste, maar naar recht.

Toelichting: dit gedicht is ook gepubliceerd in Aristo (4, 1934 p. 340)