De zoon

Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren
Ten koelen vrede van uw noodend huis,
Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren,
Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch

Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen
Luidruchtig, aan den zwaren arbeid gaan,
En hun verdriet in lach laten verschallen
En joelend hun verlangen wederstaan.

Hoe vaak ging ik in zij van zachte kleuren
Voorbij de lompen hunner slavernij.
En aan de zoele wolk van fijne geuren
Vermoedden zij ‘t, of ‘k droevig was of blij,

En riepen: heil! of stonden ver te beven,
En staakten plots hun werken en getier,
En vreesden voor hun arm en angstig leven,
En loerden als ’t in t nauwgedreven dier.

En ik, bevangen van hoogmoedigheden,
Hoorde niet op hun groet en jokkernij,
En spotte met hun sprakelooze beden,
En nam mijn kleedren saam en ging voorbij.

Nu ben ik zelf gedoemd, gebukt, te treden
Voor ’t fonkelen der oogen van mijn heer,
Nu tuchtigt mij zijn stem tot recht en rede,
En houdt zijn wil mijn mokkende opstand neer.

Ik treed, bevreesd, bij ’t hooge dageraden,
Voor ’t statiebed, waar hij zijn rust genoot.
Ik mag hem in welriekend water baden
En melden wat de markt al kostlijks bood.

Ik zalf zijn haar; ik plooi de soeple kleeden,
Al naar zijn grillige eisch verlangen kan,
En tooi hem met verfijnde kostbaarheden
En voel me, onwillig, in zijn schoonheidsban.

Ik reik het bord met bros gebakken brooden,
En sneeuwgekoelden wijn in gouden schaal.
Dan zing ik, tot zijn lust, mijn eigen nooden,
En nipt hij van mijn lijdens zoet onthaal.

Ik dans voor hem in schoone en schuwe standen,
Genegenheid schijnt mijn verbloemde haat,
En dan verwin ik hem! o heete schande,
En hij ontwijdt de bloem van mijn gelaat.

Zoo elken dag opnieuw …. O vader, vader,
Die zonder uwen vromen zegen ging,
Ik, die mij schatten van vervloeking gader,
Gelijk uw land den milden regen ving,

Mocht ik naar uw omarming wederkeeren,
Nam uw gena den looden last mij af !
Neem mij als knecht, wees gij mijn harde heere,
Loon mij met ’t deel, dat ge eens uw slaven gaf.

En moet uw recht mijn roekloosheid verdoemen,
Red me uit den poel van dit gewis verderf.
En laat mij u nog eenmaal váder noemen,
En noem mij eenmaal zóon, aleer ik sterf.