Overpeinzing

Ik zei: ’t geluk zal mij verfijnen !
Nu weet ik, dat de weelde moordt.
Mijn oogen glanzen niet, maar kwijnen,
En al mijn krachten zijn verstoord.

Mijn hoofd verdoft een priklend suizen.
Een pijn doorgluipt mij en verspet
En dan is ‘t, of God al de sluizen
Van ’t gloeiend bloed wijd open zet.

Ik waggel angstig langs de straten
En bloos bij ieders blik, en voel
Me opeens van God en mensch verlaten,
En zonder plicht en zonder doel.

En ’s avonds, na onmatig drinken,
Als driest de roes woelt door mij heen,
Gaat langzaam alles mij ontzinken.
O, ik ben overal alleenl

En ‘k weet, mijn ouders, diep gebogen,
Bidden voor mij; een rimpel trekt
Tusschen mijn broeders woedende oogen.
Maar God houdt zijn gelaat bedekt.