Auteur: Helma
O zalige avond, de verdwaasde lippen
O zalige avond, de verdwaasde lippen Lieten een schat van lachen waardloos glippen. Ziet gij de sterren? vroeg uw stille stem. Ik: ‘k zie door nevelen twee gouden stippen.
Ik moet wel weenen, wijl Gods hand u brak
Ik moet wel weenen, wijl Gods hand u brak, Heldere geurige appelbloesemtak. O, als Hij u maar naar den hemel meenam En in een vaas vol levend water stak
Gij zijt een God, Die U verborgen houdt
Gij zijt een God, Die U verborgen houdt, Echo, verscholen in het diepst van ’t woud. Hoe, zegt Gij, zou Ik antwoord kunnen geven, Als niet tot roepen zich uw stem verstout!