Categorie: De Rozenhof
O naadrend heil, dat ik met vasten zin
O naadrend heil, dat ik met vasten zin Begeerd heb, straks met U, dien ik bemin, Op jacht naar hemels lachende revieren, Jagen verrukt doods avondvlakten in.
De hemel donkert met een rooden schijn
De hemel donkert met een rooden schijn. Kneust God zóó laat Zijn druiven nog tot wijn? Hef op Uw beker, hart, om voor het nachten Met uw gelijken godlijk dwaas te zijn.
Ge ontneemt mij alle schatten, een voor een
Ge ontneemt mij alle schatten, één voor één: Liefde, geluk, blij lachen, en geween. Wat woelt Gij, Onverbidlijke, in mijn wezen? Neem ’t laatste dan: harts brandende edelsteen.
Mijn God, ik ben zoo lusteloos en moe
Mijn God, ik ben zoo lusteloos en moe. Ik weet niet, wat ik in dit leven doe. Ge ontneemt mij liefde, ontfutselt mij vertrouwen. Toch zegt Gij: leef! mijn God, mijn God, waartoe?
O liefde, die ik niet verloochnen wou
O liefde, die ik niet verloochnen wou, God mengde Uw wijn met mirre van berouw. Wat is de heffe van Uw beker bitter. Maar wee mij, als ik ’t drinken weigren zou!
Hoe achterhaal ik wat ik heb gemist?
Hoe achterhaal ik wat ik heb gemist? Mij baat noch snelle ren noch vlugge list. Al ’t ongenoten heil aan mij verschreven Hebt met een veeg Gij van uw lei gewischt.