Rococo

Haar witgeschoeide voetjes zijn zoo klein,
Dat ze in een flinke mannenhand verdwijnen.
Ze gllmIacht zoetjes, maar het is niet rein.
Ze wil graag kinderlijk onschuldig schijnen.
En daarom overschaduwt haar een fijn
Gevlochten tuinhoed; zilverbIond verdwijnen
Heur haren tusschen gaas en groen satijn.
En argIoos tenger heft met strakke lljnen
De hals zich uit de flets vergeelde kant.
En bijna jeugdig zijn de donscontouren
Der wangen, maar zij kunnen niet vervoeren,
Omdat dit blozen slechts verraadt
Dat ze overrijp is, en niet meer verzaadt
Den jongeling, die lief speelt met haar hand.