Hij zelf trad gistren in dees aardsche kroeg, Hij, de vervuller van wat ieder vroeg. Hij sprak den beker langend: drink! ‘k zei: neen! Drink! Loech Hij, is mijn liefde niet genoeg?
Auteur: Helma
Wees vroolijk, want wat baat het dat gij treurt
Wees vrolijk, want wat baat het dat gij treurt. Pluk snel uw oogenblik als ’t open geurt. Wees blij, dat hemels gunst niet eeuwig duurt, Want anders kwam er nooit voor u een beurt.
Geen zoete slok is hier door ons gedronken
Geen zoete slok is hier door ons gedronken, Of schielijk werd een bittre drank geschonken. Geen bete broods werd in het zout gestipt, Met zout gewreven rauw de wonden blonken.
Voor U draag ik gewillig elke smaad
Voor U draag ik gewillig elke smaad. Breke ik mijn eed, zoo treff’ mij smart en haat. En moest ik lijden tot den jongsten dag, Het zou te kort zijn voor mijn euveldaad.
Met mijn begeerten strijd ik; wat te doen?
Met mijn begeerten strijd ik; wat te doen? ’t Berouwt mij dat ‘k verloor; maar wat te doen? Ofschoon Gij kwijtscheldt wat ik deed, de schande Te weten, dat Gij ’t weet, blijft; wat te doen?
Voor al begeerten sloot’k harts deuren toe
Voor al begeerten sloot ‘k harts deuren toe. ‘k Hoef niemand danken, geen dank maakt mij moe. Tot U alleen strek ik de hand! – dies ben ik Dat, wat ik ben; ons twee belangt slechts ’t hoe.
Een steep, die diep in de aarde moet vernachten
Een steen, die diep in de aarde moet vernachten, Wordt tot robijn na duizend jaren wachten. O adeldom, gekocht met hartebloed, O licht, geperst uit donker zelfbetrachten.
Hij zaait in’t hart de heete netelpijn
Hij zaait in ’t hart de heete netelpijn Der liefde, en eischt dat ze uitgeroeid moet zijn. O tegenspraak! Hij wil den beker kantlen En toch daarbij verspillen niet den wijn.
Het diepst geheim is voor Hem naakt en klaar
Het diepst geheim is voor Hem naakt en klaar. Hij kent ’t geringste, en u tot op een haar. Menschen kan men met huichelarij bedotten. Voor Hem is alle zonde openbaar.
Zijn ziel en adem was doorgeurd van wijn
Willem de Mérode gaf in 1931 een reeks van honderd kwatrijnen uit, voor het merendeel gebaseerd op de Duitse vertaling van M. Schenck (Halle, circa 1897). Deze kwatrijnen worden voorafgegaan door een eigen sonnet waarin de christelijke inspiratie van zijn