Ik kus uw lippen en uw oogen, Ik kus uw haren en uw mond, Ik kus mij moede en gezond; Kussende ben ik rondgetogen. Gij glimlacht en gij wilt gedoogen Dat ik uw hand kus en uw voet. Ik eet
Categorie: De Levensgift
Troost
Ik hield mijn moe gezicht verborgen Tusschen uw wang en schouder; ‘morgen Mis ik uw zachtheid en uw moed, Uw koele mond, uw hart vol gloed.’ Toen, in een sterk en stil erbarmen, Sloten zich vast om mij uw armen.
Weten
Ik weet nu, wat ik had vermoed. Dat ieder hunkert naar zijn droom. Wij zijn niet wijs, wij zijn niet vroom, Wij leven buiten slecht en goed. Zoodra wij minnen, en bemind Zijn, laat de liefde haar gordijn Neêr tusschen
Ledigheid
Ik heb geen eigendommen meer. Hij roofde lijf en ziel en geest. De toekomst en wat is geweest Gaf ‘k in de handen van mijn heer, Ik, broze flesch in stroo gehuld, Kostbaar, maar ledig weggezet, Nutteloos, tot hij op
Dankbaarheid
Beangstigend jaagt de tijd voorbij. Reeds oversteeg ik levens top. Hoe moeizaam was de klim bergop, Hoe rèn ik neêr naar doods vaIIei. En nu, op deze groene wei, Vergunt Gij rust en oponthoud. Vergeef mij al wat Gij niet
Het schrift
Mag men bekennen dat men mint En zijn gevoelen, denken, daden, Uitstrooien als bevliesde zaden, En hopen, dat een gunstige wind Hen naar het veilig hart zal dragen Dat open ligt en toebereid? En na een koesterende tijd Hen groeiend