I Het mildë avondlicht werd koel en flauw, De wind bleef fluistrend in de boomen hangen. En gij alleen in ’t veld: der oogen blauw Werd kwijnend goud van ongestild verlangen. De klaver geurde door den witten dauw Zijn zoete
Categorie: De overgave
Aan een onbekende
Dit is voor u, die ik niet ken. Dit kunnen enkel woorden wezen, Die zeggen, dat ‘k gelukkig ben, Om u, nu ‘k langzaam ga genezen Van ziekte en zorg en zonde en dood.- De wind doet alle misten deinen
Schemerliedje
Als de hemel blinkend bleeke En de wereld duister is, Luister ik, waar of uw weeke Ademzacht gefluister is … Dicht aan mijn gezicht gedoken Streelt uw even warme wang. En uw oogen zijn geloken En uw adem is gezang,
O dit ontroeren
O dit ontroeren om een klein gezicht, vredig en goed, onder donkre haren, bruin met goudglans, die de zware streling der handen doet trillen in t licht. Het zoel aandringen van dit gevoelen drijft tot het staamlen van huiverblode woorden,
De ontmoeting
Tusschen uw oogen en de mijne Was ’t licht anders dan om ons henen, Zachter en van iets teêrs doorschenen: Glanzingen die in glans verdwijnen. Alle verrukkingen: vreugde en weenen Hebben zich in dien glans gevonden; ’t Smachten van ons