Toen de avond de kamer innam, Werd de spiegel met licht gevuld. De brief, die ik niet meer lezen kon, Glansde koel als het zachte gezicht Van een kalm gestorvene, Wiens lippen een vleug warmte vasthouden Om onze laatste kus
Categorie: Nalezing VII
Onweer
De paarse bliksem kliefde De gele lucht. De bloemen geurden liefde En zetten vrucht. In velden wit van damp Stond ’t koren te verflenschen. Bij nood werende lamp Zaten de tamme menschen In een geladen sfeer Van angst en liefde.
Koorts I, II
I Heer, ik zink weg in duizeling en pijn, Wat ik gedacht, gedroomd heb en gelezen, Komt als een werklijkheid om mij gerezen. En ik moet in die vreemde wereld zijn. En schoon ik wakker ben, en weet: ’t is