Categorie: Nalezing VII
Het verdriet
Ik heb gewerkt, ik heb gebeden, Ik heb geworsteld met ’t verdriet, Ik heb gebogen als het riet, en soms heb ik ’t met laffe vlucht gemeden. Nu stelt ’t zich ondoordringbaar voor mijn staren Als van de nacht het
Na de bui
Voor Jaaps 19e verjaardag op 19 mei 1926 De bui was nog niet afgedreven, Toen wij bedroefd den tuin in gingen, Waar afgerukt de rozen dreven En hulploos in de struiken hingen. Het bitter geuren der seringen Heeft zich met
Genezing
Dagen zijn gegaan, nachten gekomen, Duisternissen verdreven, en de wind Heeft ergens bleeke lichtgolven genomen En mijn oogen aangewaaid; en opnieuw begint Dit vreeslijk ademhalen, en het luwen Der jaargetijden draagt mij in zijn schoot. En ik voel mij overwentelen