Auteur: Helma
De eenzame
En elken dag opnieuw, bij het ontwaken, Keert hij zich droevig in zijn bedde om, Terwijl zijn handen, in nerveus gefrom, Spelen over t weggewoelde linnen laken. Hij fronselt tegen t licht dat door de blinden, Ten kier gelaten, bleek
Galerij
Mijn dagboek is gelijk een galerij Van schoone grieksche goden-statuetten, Die ik in witte nissen heb doen zetten Ter weerszij van een slanke zuilenrij. En bij de deur, een faun aan iedre zij Wil, stout gehoornd, het binnentreen beletten. Maar
Ik heb zoo vaak… (sonnet)
Ik heb zo vaak, wanneer de schemer hing Over de grachten en de hoge bomen, Dicht aan het raam gedrukt zitten te dromen, Waarlangs het lichten aarzlend nederging. De kleuren en de lijnen van elk ding Verdwenen in het wazig-witte
Sonnet: Zooals een man een keten van fijn goud
Zooals een man een keten van fijn goud Wil uit een grote gave plaat gaan drijven, En dag aan dag zich diep gebogen houdt Over zijn werkt, dat moeilijk wil beklijven, En toch geen tijd en arbeid hem berouwt, Zijn
Avond-school
Een enkle lamp werpt zijn armzalig geel- Koperen schijnsel langs de kale muren. Met wijd geopende oogen zitten heel Scherp jongens naar het verre bord te turen. Stoffige lege banken, waarop veel Inktvlekken en ingesneden figuren, Werpen hun schaûwen langs