Auteur: Helma
Daar zullen eens al de beminden zijn
Daar zullen eens al de beminden zijn Bevrijd van zorg, ontledigd van de pijn. Die hier den beker Zijner liefde dronken, Zijn daar gestild en zalig door Zijn wijn.
Nooit drong men door tot waar de rozen stonden
Nooit drong men door tot waar de rozen stonden, Zonder te voelen dat de doornen wondden. Pronkt er wel ooit een kam in liefstes haar, Eer hij door honderd breuken is geschonden?
Vannacht aan ’t water met mijn lief genoot
Vannacht aan ’t water met mijn lief genoot, Brandde de wijnkelk met een pracht zóó groot, Dat zons voorrijder opgeschrikt ontwaakte En riep: sta op! ik zie het morgenrood!
Maak licht den last waarmee ik ben beladen
Maak licht den last waarmee ik ben beladen. Verberg voor ’s menschen oog mijn euveldaden. Laat mij vandaag gelukkig zijn; en morgen Schik mij het goede toe van Uw genade.