Categorie: Nalezing IV
Met minnen hebt gij …
Met minnen hebt gij mijn gemoed gewond! O lief, ik heb alleen naar u gezocht. Jarenlang volgde ik ’t dwalen uwer voeten, Of gij u eindlijk naar mij wenden zoudt. O, de oogen toe, mijn hoofd te mogen leggen Aan
Reegnen de sterren…
Reegnen de sterren smeltend uit den hemel? Spatten komeeten laaiend uit elkaar? Mat-gouden stralen vallen, sierlijk boogend, Of uit den hemel men Gods kostbren wijn Naar opgeheven donkre bekers goot, Die volgeschonken, met een kop van schuim Even opsproeiend glinstren,
Haarlem I-VII
I Heersch over alle stadsherinneringen II En daadlijk komen de herinneringen III Sint Bavo Zij zongen telkens weer dezelfde fraze, IV Ik word uit droom en werk opeens gewekt, Omdat uw schaduw mijn gezicht bedekt. En dit is ’t, wat
Venezia
Hier heeft het leven nog den zachten glans Van nutteloos in schoonheid te verstralen. Wat laat de lucht hier zuiver ademhalen! Op nieuw geluk geeft iedre dag een kans. En zaalger is de nacht hier dan een mans Gelaat, die
Via Appia
Dit is de weg der heilge martelaren, De via sacra van den heldendood. Gods helgeheim doorlichtte hen zóó rood Dat zij straks Zijn gewijde kaarsen waren. In nachten grondloos hel en welig koel Hieven de zwarte pijnen hun contouren De
Antinous I, II
I Museo Vaticano Hoe zouden goden onder mensen wònen? Ach, zij vertoeven slechts een korten tijd, Dat men hun trouw en onderworpenheid En dan een leven van verlangen toone. Het was den keizer, of een flits van zon Door zijn
Envoi
’s Nachts is mijn geest de heemlen doorgetogen, En scheerde langs der Alpen scherpen top, En ving den glimlach van de meren op, En kwam als maanglans tot uw slaap gevlogen. Hebt ge u niet even onbewust bewogen, Als droom