Categorie: Nalezing IV
Sonnetten – III Weet gij niet, dat’k u overal bespeur?
Weet gij niet, dat ‘k u overal bespeur? Ik heb uw wezen gretig ingedronken. Gij zijt door al mijn sferen heengezonken Gelijk door ijle zijde een zoete geur. Daar is geen oogenblik bij dag of nacht, Dat ik uw stralende
Lees meer Sonnetten – III Weet gij niet, dat’k u overal bespeur?
Paaschmorgen
Ik zag ’t wel lichten langs den grond, Maar dacht, het was een vlek van zon. En ’t scheen, ik zelve werd een bron, Daar ik te wenen stond. Door ’t drupplen mijner oogen dreef Een zevenkleurig schitterspel. En altijd
München I, II
I München, uw naam is als het lichte suizen Der lente, die met frisch en fleurig groen Een paradijs maakt van een stadsplantsoen, Elysium een bleekje tusschen huizen. Alle verlangens, die het hart doorkruisen, Leefden hier sterk maar stiller, want
Eenum
Ets van Johan Dijkstra Ziel heeft de hevigheid van haar verlangen Met macht bedwongen en zeer scherp gewet. En toen in felle en strenge lijn gezet Het land, dat haar zoo zalig hield bevangen. Onder t geweld van wolken en
Dom te Keulen
Dit is een huis, waar God van zeggen zou: ‘Hier heb ik eindelijk mijn rust gevonden’, En waar verloornen veilig hun berouw Over ’t verspeelde leven staamlen konden. O hart, door liefde en haat aan God gebonden, Trekkend en knellend
Dresdener Kreuzchor
Hun stem vergleed in lispelen en zwijgen, Dat met zijn zoet verwachten ons omspon. Toen hoorde een ieder aan zijn eigen hijgen, Hoe groot het wonder in zijn hart begon. De knoppen van de stilte wilden bloeien, Gezwollen van een
Sonnetten – I Dit wonder is nog in mijn macht gebleven
Dit wonder is nog in mijn macht gebleven: Ik, die geen spreuk en geen bezwering ken, Ik roep u aan, als ik verlaten ben, En stort uw beeltenis vol geest en leven. Het licht gaat glanzend in uw oogen beven.
Lees meer Sonnetten – I Dit wonder is nog in mijn macht gebleven