Misschien geeft dit u troost: te weten, Dat ge onaantastbaar, onbesmet, In boventijdelijk vergeten, Staat in mijn hart en mijn gebed. God heeft zijn vredige avondstonden, Wijd als zijn goedheid en geduld, Weer tot de wereld uitgezonden, En ieder hart
Categorie: Nalezing VIII
Zomers einde
Er is een groote regen losgekomen, Zooals soms in ontruste nacht de droomen Van een heel leven, saâmgedrongen Tot één droom, door ons slapen zongen, Zoo is de zomer in dit zware ruischen Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Toekomst
Dat wij dit droomen dorsten, En bewust ernaar streven: Eens onder uwe vorsten Als gelijken te leven. Misschien meer, misschien minder Aan wijsheid en goed, Maar even fel doorzinderd Van uw liefdesgloed. Die Uwe toekomst koos Vol mateloos begeeren Moet
De slang
Ze is opgetogen door de buurt gegaan En heeft het laatst sensatienieuws besproken Met naaisters en die in de winkels staan Het kwaad gesierd en ’t goede afgebroken. De rijke zieke heeft zij zeer gevleid: ‘Wat is er veel van
Uit een zolderraam
Hier ziet men niets dan daken; prachtig zijn Door ’t leven zij vervormd, en zoo gekorven, Als mannen die het ijzren kruis verworven Hebben, en na den slag veel zachter zijn Dan vroeger, en zeer veel menschlievender. Zoo laten zij
Zwijgen
Zoo wij, genezen van de zonden, – O dood, waar is uw prikkel nu, – Een lied met nieuwe woorden vonden, Het is alleen ter eer van U. Een kind aan moeders borst verzadigd, Glimlacht en slaapt tevreden in. Sluit