Mijn God, ik ben zoo lusteloos en moe. Ik weet niet, wat ik in dit leven doe. Ge ontneemt mij liefde, ontfutselt mij vertrouwen. Toch zegt Gij: leef! mijn God, mijn God, waartoe?
Auteur: Helma
Ge ontneemt mij alle schatten, een voor een
Ge ontneemt mij alle schatten, één voor één: Liefde, geluk, blij lachen, en geween. Wat woelt Gij, Onverbidlijke, in mijn wezen? Neem ’t laatste dan: harts brandende edelsteen.
De hemel donkert met een rooden schijn
De hemel donkert met een rooden schijn. Kneust God zóó laat Zijn druiven nog tot wijn? Hef op Uw beker, hart, om voor het nachten Met uw gelijken godlijk dwaas te zijn.
O naadrend heil, dat ik met vasten zin
O naadrend heil, dat ik met vasten zin Begeerd heb, straks met U, dien ik bemin, Op jacht naar hemels lachende revieren, Jagen verrukt doods avondvlakten in.
De zee zwalpt op naar ’t lachen van de maan
De zee zwalpt op naar ’t lachen van de maan. De sterren zwermen op de zonnen aan. Alles wil zich in liefdes afgrond storten. Hoe zoude ik dan uit Uwe wegen gaan?