Auteur: Helma
Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden
Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden, Die niet verloren ging in schaamte en zonden, Wat weet hij van Uw goddelijk geduld? Uw diepste liefde heeft hij nooit gevonden.
Wat ‘k van dit Leven tot Uw huis wou dragen
Wat ‘k van dit leven tot Uw huis wou dragen Hebt Gij verwoed mij uit de hand geslagen. Waarom zendt Gij mij op een nieuwen tocht, Daar ik niet naar een beetren schat kan jagen?
Heer, wat mijn verre vaderen misdeden
Heer, wat mijn verre vaderen misdeden, Moet weder in dees ééne ziel geleden? Geef mij ook hunner liefden hooge som En ’t heil waarom zij baden en fel streden.
Als mij geen nieuwe lente op aarde vindt
Als mij geen nieuwe lente op aarde vindt, Verwaait mijn minnen in den luwen wind, En zoelt den stroom des bloeds in jonge leden En maakt helle oogen ’s avonds zalig blind.
Opdracht
Voor u dit boek vol zaligheden En dronkenschap en bitterheid, De zoete wierook der gebeden, De tranen in berouw geschreid; En alles wat God toe zal reeknen En wil vergeven en vergeet; De wondre duiding zijner teeknen, Wat ik, verkeerd,