Het kind

Toen zij besloten één te zijn En bloed en leven te vermengen, Kwam er een zachtheid in hun zengen, Of er een zingende fontein Koelte verstuivelde over rozen. Hun diepste wezen, transparant, Tot stralend licht gestolde brand, Verscheen ’t kind,

Uitzicht

Ons hart moet zeer eenzaam wezen Als het wil werken voor U. Verlokkingen en vreezen Zijn niets dan vage schaduw, Die glijdt langs de witte muren Van de kamer, het is zeer stil. En dit kan seconden duren Of eeuwen;

Wiegeliedje

Slaap maar,… slaap maar,… slaap, Zag je ’t witte schaap Niet van uit de hemelweiden Door het venster binnenglijden? Kijk, je kleine bedje is vol Zachte witte hemelwol. Droom maar,… droom maar,… droom, Dat je aan hemels zoom Zelf als