Zwaar stapt, in zijn blauwlinnen broek En gapend lichtgeel boezeroen, Toon, om een soepkip op te doen In t nachthok; t fluiten flapt tot vloek Als plots een Barnevelder kloek Fladdrend en kaaklend zich verraadt. Verdomme, bromt hij, even kwaad,
Auteur: Helma
De getuigers
Het wordt gewoonte dat ment zegt: o Heer, Wij danken U, want deze man was zondig, Maar Gij hebt onlangs hem, ’t ging kort en bondig, Bekeerd, en dat verheugt ons allen zeer. Wij kunnen er een opstel over schrijven,
Teleurgestelde verwachting
Het onweer maakte loom van leden.Ik dacht: het is de ouderdomEn liep wat ingezakt en kromEn wenste: was het maar geleden. De buurman groette diep tevredenEn dacht: die wordt gauw opgeruimd.‘k Heb lang om zijn bezit geschuimd.Wat mij betreft haalt
Beatus ille
Welzalig die niet als een handvol graanDoor een mullers christenmolentje moet gaan, Naar wien de kippen niet luidruchtig graaien,Omdat de haan op sions mest gaat kraaien, De niet wordt door de hitsige hond besprongenOf weggepsalmd door boeren en hun jongen,
Vita nuova
Het is nog iets troebel (de wallen zijn kaal), Het water in het nieuwe kanaal. Het moet nog helder worden en blinken, Stroomende moet er veel verzinken. De meeuw, zich spiegelend in zijn vlucht, Moet onder en boven niets zien
Sint Anna ter Muiden
Nader met aandacht tot dit groene .plein, Een kleine weide onder lage boomen. Hier is de rust zoo jong en zoo volkomen Als lentewind en najaarszonneschijn. Hier is het oude en het havelooze Der dingen tot een nieuwe levensstaat Geworden,
Polonaise brillante
Regen drupt door de lindeboom, En uit de verte roept een horen. Er fladdren vogels tusschen ’t koren. Uit de open staldeur, zwaar en loom, Drijft geur van koeien; en licht stof, Dat vlegels uit het koren kloppen, Hangt om