In de avond dempen zich de stemmen. Men mompelt maar wat voor zich heen. Doch vol van leven niet te temmen Blijft de witte boezelaar van Leen. Dat weten alle mannenoogen, Dat wraakt de blik van iedre vrouw, Want zij
Auteur: Helma
Herinnering
U heb ik het meest bemind. Altijd zie ik u als kind. Vaart je schip nog naar de haven, Mag je met het stokpaard draven, Zweert kip en konijn je trouw, Dans je met de bakkersvrouw, Loop je door de
Bach
Ich will dir mein Herze schenken,Senk dich, mein Heil, hineinMattheus Passion Het huis is donker, maar het raamOpent op den kristallen hemel.Doorschijnend deint ‘t bloed rood gewemelVan wijnloof: zalig aardsche naam.Wij kijken met onwillige oogen.De lucht lijkt donkerder en dof,En
De operatie
Hij nam het mes, en sneed zo zeker,Dat zij eerst slechts een rilling voelde,Die scherper werd, en kil, en woeldeDiep in haar wezen, en het weekeTrillende hart aanraakte en bonzenDeed als de zware doodenklok,En uit haar ‘t leven met een
Jong-katholieken
We houden van barmeid en zeekapiteinEn van een gulle hartige slok,Een krachtige vloek en losse geinMet een stem als een schorre klok. De heiligen en Maria zijnNiet bij ons in het publiek.Ze mogen thuis trooten in ziekte en pijnWant wij
Berceuse
Laat u maar glijden, de slaap is stil. Laat u maar glijden: ritselende zijde; Bevend dwaallichtje op een weide; Droom en dood omhelzen u beiden; Gij zijt vergeten van vreugd en lijden; Laat u maar glijden, het water is stil.
Het schrift
Mag men bekennen dat men mint En zijn gevoelen, denken, daden, Uitstrooien als bevliesde zaden, En hopen, dat een gunstige wind Hen naar het veilig hart zal dragen Dat open ligt en toebereid? En na een koesterende tijd Hen groeiend
Dankbaarheid
Beangstigend jaagt de tijd voorbij. Reeds oversteeg ik levens top. Hoe moeizaam was de klim bergop, Hoe rèn ik neêr naar doods vaIIei. En nu, op deze groene wei, Vergunt Gij rust en oponthoud. Vergeef mij al wat Gij niet
Ledigheid
Ik heb geen eigendommen meer. Hij roofde lijf en ziel en geest. De toekomst en wat is geweest Gaf ‘k in de handen van mijn heer, Ik, broze flesch in stroo gehuld, Kostbaar, maar ledig weggezet, Nutteloos, tot hij op
Weten
Ik weet nu, wat ik had vermoed. Dat ieder hunkert naar zijn droom. Wij zijn niet wijs, wij zijn niet vroom, Wij leven buiten slecht en goed. Zoodra wij minnen, en bemind Zijn, laat de liefde haar gordijn Neêr tusschen