Auteur: Helma
Een lucht vol witte wolken
Alsof een hand ze ineengefrommeld had En weggeworpen, drijven vreemde wolken; En andren liggen als de witte scholken Van kindren op een bleekveld, zwaar en nat; En andren zijn als het besneeuwde pad Waardoor twee rijen donkre stappen loopen; En
Kerstmis
Over de wereld ging de lente komen. Gods Geest is neergezweefd en als dauw Gedruppeld in de heete ziel der vromen En deed een Kind ontluiken uit een vrouw. Den hemelen ontvloeiden witte stroomen Engelen, en hun blinken rees en
In Hem Leven wij
Zeer onverschillig zijn de dagen nu: De regen en het ruischen van de boomen, En zon, en menschen die meelijdend komen, De pijnen, en de angsten en de droomen, Want alle dingen worden weggenomen, Er is alleen licht tusschen mij
Oudejaar
Hoe vaak zijt Gij dit jaar niet tot ons hart gekomen met leed en met geluk met ziekten en met pijn, maar ook: hoe vaak hebt Gij verdriet en kwaal genomen en deed uw stil bezoek ons stil en zalig
Kerstmis
Uw genade komt ons dekken. Over donkerheid en vlekken Vlokt de stille witte sneeuw. Uit het galmgat van den toren Bomt de klok en blaast de horen De aanvang van een nieuwe eeuw. Ergens reutelt het gedempte Borlen van een
De wijzen
‘O vreemde reizigers, en gaat gij niet te verre Van huis en hof en al wat gij gehaast verlaat? En vreest gij ’t dolen niet !’ wij reizen op de sterre, En rusten eerst wanneer en waar die stille staat.