Anna

Lucas 2:36 Toen de dood den sterken stengel, Waar mijn liefde op was geënt, Doorsneed, heeft mijn hart den engel Aan zijn wijze en werk herkend. Streng, met opgeheven vinger, Nauwlijks trad ik in de rei, Wees hij me uit

Simeon

Hebt gij tóch, mijn stramme leden Met uw zonnelieflijkheden Koesterend, uw knecht herkend, Kind, dat in mijn arm geheven U gewillig aan het beven Van de grijze wereld went? O mijn moedelooze hopen ! Jaren kwamen, en verkropen, Wijl Gij

Maria

Toen de Geest u overschaûwde Met zijn glorie en genâ, Toen het Leven in u dauwde, Droegt ge uw stille wezen dra Als in liefelijk benauwde Lente een zware winterwa. Hebt gij deze lange dagen, Onberoerd en onverlet, ’s Heeren

Kerstmis

Vooravond t’ Zal kerstmis worden en ’t is stil. Een vroege winter sloeg het leven, Ach God, zooveel is dood gebleven, Dat, nu ’t te laat is, bloeien wil. De tuin, nog blad-en bessenrijk, Ligt zwartgeslagen en bedorven. ’t Wordt