Lucas 2:36 Toen de dood den sterken stengel, Waar mijn liefde op was geënt, Doorsneed, heeft mijn hart den engel Aan zijn wijze en werk herkend. Streng, met opgeheven vinger, Nauwlijks trad ik in de rei, Wees hij me uit
Auteur: Helma
Simeon
Hebt gij tóch, mijn stramme leden Met uw zonnelieflijkheden Koesterend, uw knecht herkend, Kind, dat in mijn arm geheven U gewillig aan het beven Van de grijze wereld went? O mijn moedelooze hopen ! Jaren kwamen, en verkropen, Wijl Gij
Maria
Toen de Geest u overschaûwde Met zijn glorie en genâ, Toen het Leven in u dauwde, Droegt ge uw stille wezen dra Als in liefelijk benauwde Lente een zware winterwa. Hebt gij deze lange dagen, Onberoerd en onverlet, ’s Heeren
Engelenzang
De engelen zijn begeerig in te zien. 1 Petrus 1: 12b Wachtengelen, die nederschouwden Naar de bewaasde wereldkust, Verkondigden: ’t is of iets blauwde Op ’t gele zand: Maria rust. En later : ze is ter stad gereden Met Jozef,
Kerstmis
Vooravond t’ Zal kerstmis worden en ’t is stil. Een vroege winter sloeg het leven, Ach God, zooveel is dood gebleven, Dat, nu ’t te laat is, bloeien wil. De tuin, nog blad-en bessenrijk, Ligt zwartgeslagen en bedorven. ’t Wordt
Hemelsch avontuur
Het donkre huis ontweken In ’t middernachtlijk uur, Heeft geen ons nagekeken Op ons hemelsch avontuur? Wij deden de ruit niet rinklen, Klimmend door ’t open raam. Zacht gezoold op de sintlen Stonden wij daar saâm. Wat wij in haast
De zoekenden
Wie spreekt den avondzegen? Emmaüs is nog ver. En de Heer kwam ons niet tegen. Boven Bethlehem staat geen ster. Wij weten niet of Hij geboren Is gisteren of gedood. Wij dwalen dieper verloren In den doolhof van nood. Wij
De rijke jongeling
Toen ik den Meester had gevonden, En, teeken mijner heerlijkheid, Voor Hem ontrolde het tapijt, Waarop wij samen rusten konden, Beminde Hij ’t gebaar, en sprak, (Hoe scheen mij ’t kostlijk kleed geschonden; Hoe snel had ik het opgewonden,) Dat
Stillen in den lande
Zij weerden van hun oogen den avondglans der stad, Licht, duizlig aangevlogen, dat zich gespiegeld had In mist en ademtogen, een parelmoeren schat. De weelde van het leven, beschaafd en ruw genucht, Bleef in de straten zweven, als wolken van
Een dorpsjongen
’t Land is een uitzicht van den toren groot Als ’t feestdag is; gewoonlijk, in de week, Zoo ver als vader door het venster keek; Daarbinnen ligt de wereld en haar nood De sloome zorg voor zéker daaglijksch brood; De