Auteur: Helma
Het gastgeschenk
Het was een losgeraakte zode, Vol riet en biezen, vrije wijk Voor schuwe vogels, die hun bloode Broed tuchtten in dit bloeiend rijk. Soms kwam er doelloos aangevaren Een vreemde, en landde met geruisch, Sliep tusschen bloemen in bij ’t
Zwijgen
Zoo wij, genezen van de zonden, – O dood, waar is uw prikkel nu, – Een lied met nieuwe woorden vonden, Het is alleen ter eer van U. Een kind aan moeders borst verzadigd, Glimlacht en slaapt tevreden in. Sluit
Het pluis
Toen hij haar een paar dagen liefhad, Verveelde zij hem zeer. Haar denken was maar een kleine stad, Haar ziel een kalm meer. Hij had gehoopt, angstig te verdwalen In een metropool, Voor zijn verlangen schatten te halen Van evenaar
Eerste liefde
De jongen schrijft; ‘over ’t papier gebogen Heb ik hier nu al haast een uur gezeten Te denken wat ik zeggen zal; wij weten Vaak maar alleen wat wij niet zeggen mogen Ik heb zoo dikwijls door de schuttingreten, Die
Dichten
Denkt gij dat dit gelukkig maakt, Dichten en eenzaamheid? en noodig Te hebben wat gij overbodig Noemt en als tijdverbeuzlen laakt? Het is stilzitten in zonneschijn, En den wind voelen, en den regen Nastaren, en den hemel tegen Vliegen als