Auteur: Helma
Na de bui
Voor Jaaps 19e verjaardag op 19 mei 1926 De bui was nog niet afgedreven, Toen wij bedroefd den tuin in gingen, Waar afgerukt de rozen dreven En hulploos in de struiken hingen. Het bitter geuren der seringen Heeft zich met
Genezing
Dagen zijn gegaan, nachten gekomen, Duisternissen verdreven, en de wind Heeft ergens bleeke lichtgolven genomen En mijn oogen aangewaaid; en opnieuw begint Dit vreeslijk ademhalen, en het luwen Der jaargetijden draagt mij in zijn schoot. En ik voel mij overwentelen
De brief
Toen de avond de kamer innam, Werd de spiegel met licht gevuld. De brief, die ik niet meer lezen kon, Glansde koel als het zachte gezicht Van een kalm gestorvene, Wiens lippen een vleug warmte vasthouden Om onze laatste kus
Onweer
De paarse bliksem kliefde De gele lucht. De bloemen geurden liefde En zetten vrucht. In velden wit van damp Stond ’t koren te verflenschen. Bij nood werende lamp Zaten de tamme menschen In een geladen sfeer Van angst en liefde.
Benedictie
Ons is zoo wonderlijk te moede: Niets kan ons bloeien nu nog keeren. Want om ons is de glans des Heeren En wij zijn vol van Zijnen bloede. Zijn liefde kwam ’t heelal ten goede, En Hij zal, ons beminnen