De herders zagen Hem als Lam, En, blanke Visch, met koene sprongen, Verscheen Hij den verbaasden jongen Visschers, en als een Leeuw zoo gram Greep Hij den krijgsknecht; de matronen Vertroetelden Hem als een Kind, Hun dochters hebben Hem bemind,
Auteur: Helma
Boeddha
Rond u is hunkeren en vasten, En aan de grenzen van uw vreê Hoort Gij het bidden der belasten Vermurmelen gelijk een zee. Uw handen kunnen niet meer tasten En niets omvatten, en gedwee Laat gij uw oogen zich vergasten
Job
De dag verga, waarin ik werd geboren, Der donderbuien dikke duisternis Trekke zich samen waar zijn luister is, Hij zij verschriklijker als geen te voren. Was t mij bij de eerste oogopslag beschoren Te sterven…, waar zelfs geen gefluister is
In oude tijden
In oude tijden zong men zijn verlangen In zoelen nacht voor liefste’s raam of deur En met den weemoed van de rozengeur Rees de melancholie der minnezangen. Een stem snikte bij ’t lokken van de luit, Wat alle minnaars eindeloos
Voor Okke
Als gij voor ’t orgel hoog gezeten zijt En zwaar het heilig Gloria doet hooren Of ’t lied van ’t Kindeken, dat, nieuw geboren, Om onze ondeugden zuivre tranen schreidt, En zingt: ‘ziet, wat de liefde doet’, benijdt Gij mij