Jan Mankes

Voor Mevrouw dr. A. Mankes-Zernike Hij zag niet meer den donkren vorm der dingen, Maar ‘t lichten dat zij met hun hoes omvingen, En schilderde het laaien van den brand Die koortsig klopte in zijn nerveuze hand En òpvlamde ergens

Insula felia

’t Hooge schuimen van leeds branding Gunt geen mensch de veilge landing In de stille baaien van Uw kust Maar die kloek-gelaten durft te geven Al den dierbren ballast van dit leven, Wordt aan land gespoeld en vindt Uw rust.

Geluk

Toen zagen wij de wolken kruien En wachtten door de zwoele dag Het breken van de donderbuien In regenvlaag en hagelslag. En de avond daalde en geen vertroosten Van koelte en geen verkwikken kwam. Toen barstte ’s nachts het grommend