Een kind, dat naar de goede dingen tast, En met hen spreekt, alsof zij levend waren, En zóó verwonderd naar hun glans kan staren, Alsof hun zoete glimlach hem verrast, En merkt niet, dat er in zijn oogen wast Een
Auteur: Helma
Jan Mankes
Voor Mevrouw dr. A. Mankes-Zernike Hij zag niet meer den donkren vorm der dingen, Maar t lichten dat zij met hun hoes omvingen, En schilderde het laaien van den brand Die koortsig klopte in zijn nerveuze hand En òpvlamde ergens
Frieslands vlakten
Ach God, wat zijn uw groote vlakten schoon, Met ’t zeilen van de vogels, en het schuimen Der schepen door de spiegelende ruimen Der plassen; waar de schuchtere anemoon Des voorjaars in de luwte waagt te ontluiken, Het woekeren van
Esther gaat tot Ahasveros
Ze zag een veld vol felle rozen, En in het midden rees het licht Van zijn verschriklijk schoon gezicht, Dat, streng, haar bleekheid dwong te blozen. Zij was een dunne glazen kelk, Die tintelde in vuur van kozen. Haar wangen
Bloeiende elzen
Nog voor ik stond in blad, Hebt Gij mij liefgehad. Alzijds mijn stuggen bos Zaagt Gij den rossen tros Die stuifde, ijl en geel, Met wolkend meel. Als ‘k straks den stijven kraag Van ruwe blaadren draag, En mijn eenzelvigheid
Wintermorgen
De tuin is toegesneeuwd; ’t gazon Ligt onder ’t hooge witte duin bedolven. Maar veilig in hun warme strooien kolven Wachten de rozen (en mijn hart wacht ook) de Zon! ’t Is late nacht, de lamp brandt laag, De ruiten
Insula felia
’t Hooge schuimen van leeds branding Gunt geen mensch de veilge landing In de stille baaien van Uw kust Maar die kloek-gelaten durft te geven Al den dierbren ballast van dit leven, Wordt aan land gespoeld en vindt Uw rust.
Geluk
Toen zagen wij de wolken kruien En wachtten door de zwoele dag Het breken van de donderbuien In regenvlaag en hagelslag. En de avond daalde en geen vertroosten Van koelte en geen verkwikken kwam. Toen barstte s nachts het grommend
Sonnetten – XII Michel Angelo: pietà, San Pietro
Aanzie de Moeder en haar dooden Zoon, De grootste schepping van den grooten heiden. Wat heeft zijn hart om Jezus moeten lijdens. Geen beitelde Gods ondergang zoo schoon. Geheven op haar schoot, als op een troon, Ligt Hij ineengezonken; zwaar