Was dit niet schoon en waren de getijden Niet brandend en zoozeer verblind van licht, Dat wij deemoedige bange handen breidden Voort ’t glanzen van elkanders aangezicht En de oogen toe, stil van elkander eiden, Dat elk dit zalig wonder
Auteur: Helma
Klagen
En lichte dagen gaan en sluierende nachten, En slaap verheft zijn stem en suit mij zachtjes in, En geeft zoo lieven troost aan droomen en gedachten, Dat ik den nieuwen waak gelijk een kind begin. Mijn handen vragen buit, ik
Gesprekken in den schemer I-III
I Uw handen zijn in ’t licht zoo schoon ontbloeid. – Ik zelf ben in den schemer weggevloeid. Waartoe hun bleeke deernis buiten u? – Om u te troosten, stil omsluiten ze u. Wat wil hun streelen en hun blinde
Sonnetten – IV Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn
Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn En voor het suizen van de stilte vreezen En zelf een vreemde donkre stilte wezen, Die niet bewegen durft onder den schijn Van ’t roerloos licht, en voelen hoe de pijn Komt onmeedoogend
Lees meer Sonnetten – IV Weet gij wat weenen is en eenzaam-zijn