Ik heb het fluitje aan mijn mond gezet. Mijn vingers overtrippelen de gaten Buiten mijn tuin ligt de rivier gebed In maanlicht, en er rijst een brug van jade. Een brug van jade overspant het licht, Mollig van schaduw aan
Categorie: Chineesche Gedichten
Levenseinde
O wreede vrede: langzaam te veroudren. Mijn nageslacht zal zitten aan mijn voeten En tot mij opzien als een hoogen berg, Waarop de gunst des hemels sneeuw gestrooid heeft. Een zoon mijns zoons zal naar mijn voeten tasten. Hij voelt
Oud en dwaas
Ik had een afspraak, en in roode zijde En schoon gewasschen, trad ik voor den spiegel, Ik schrok en toornig trapte ik op het glas. Ik zag: mijn haar was grijs en dor geworden. Mijn oogen waren als het groezlig
Wachten
Viel er een kleine regen in de nacht? Een kraalgordijn heeft even zich bewogen, Ik luister, en ik houd mijn adem in. Ik stond voor een verlicht papieren venster. Mijn nagel gleed langs het doorschenen vlies, En daadlijk viel een
De held
De maan schijnt over levenden en dooden.De overwinnaars plunderen de lijken.De held trapt op de keel van de gewonden. Zijn sterke hand omklemt het breede kromzwaard.Zijn zwaard is heilig, want het heeft gedronkenVan mannenglans en kracht en dapper bloed. Lafhartig
Oorlog
De boomen overijlen zich te bloeien. De bloemen geuren overdadig mild. De jeugd glanst als een bliksem, en zijn gloeien Is even snel en schrikkelijk en wild. De hemel teistert met afgunstig waaien. Naakt staat de boom als een geschoren
De vlieg
Het brommen van een vlieg is in de kamer. Ik kan niet werken door dat domme brommen. ‘k Sla met mijn waairen, links en rechts, vergeefs. De keizer houdt niet van mijn hekeldichten. Hij heeft soldaten om mij uitgezonden. Den
De Keizer
De groote keizer heeft met mij gesproken. Ontzaglijk zat hij op zijn gouden troon. Als een gevouwen doek lag ik gedoken, Een zwarte voetmat voor den gouden troon. Boven mij sprak de Lieveling des Hemels En dwong mijn blikken schuchter
De banneling
Hoe bar, hoe onverzoenlijk bitter Heerst wintertijd over het land. De bodem prijkt met wit geschitter. De maagre boom staat zwart verbrand. De onzaalge boom schudt zwarte kraaien Onwillig over ’t witte land: Een groot penseel dat onheiltekens waaien laat
De brief
De ruiter had zich naar mij toegebogen En langde mij een brief van rijstpapier Ik heb mij voor uw ijlbode gebogen. Uw teekens lispelden: kom spoedig hier! Over het blad papier had gij de teeken- bloemen gestrooid met achtloos lief