Uw gezicht

Een heilge, licht- op donkergoud gemaald, Zag ik u in den diepen zomeravend. De wereld leek zoo oud en zoo gehavend, Bij uw gelaat scheen ’t stille licht vervaald. En ‘k dacht aan die verweerde mozaïeken, Waar ’t zachte glanzen

Carpe diem

‘k Heb dezen dag zoo traag en fijn genoten Als kinderlipjes zuigen aan een vrucht En dan lang nagenieten met een zucht, Als ’t laatste sap hun keeltje is ingespoten. Hun handen streelden ’t goudfluweelen dons … In hun zachtgloeiende

In den tuin

Geldersche rozen met hun koele Ballen lichten den hemel toe. Seringen waaien paarse zoele Geurige schaduwen, gril en moe. Aan tengre boompjes, haast nog schuil, De witte zuiverheid der rozen; Midden in hun half open tuil Besluiten zij hun schuchter

Zomeravond

Zullen wij samen niet het veld in gaan En naar den waakschen zomervogel hooren, Die boven ’t zachte ruischen van het koren Zijn vreemde weeke liederen komt slaan? Zoo innig als geliefde’ omstrengeld staan En in hun overgave elkander schoren,

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren, Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg, En als je handen dan met groote zorg Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren, Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden