Categorie: Nalezing V
Hij voerde mij Gods groote stilte binnen
Hij voerde mij Gods groote stilte binnen, Allenlijk van een teeder licht vervuld, Dat alzijds uitscheen in een mat verguld, Inwendig blozend als ziels eerst beminnen. Hij leerde mij, Zijn zuiver minnen winnen, Door in te treden tot Zijn groot
Sonnet: God zij gedankt! als men geen heul meer weet
God zij gedankt! — als men geen heul meer weet, Ontfermt zijn Priester zich verdervenden. Hij staat te midden van de wervenden Om ’t heil, dat ondergang-in-Christus heet. Hij heeft, als ik naar ziel en lichaam leed, Zich zeer bekommerd
Lees meer Sonnet: God zij gedankt! als men geen heul meer weet
In memoriam
Was dit niet schoon en waren de getijden Niet brandend en zoozeer verblind van licht, Dat wij deemoedige bange handen breidden Voort ’t glanzen van elkanders aangezicht En de oogen toe, stil van elkander eiden, Dat elk dit zalig wonder
Klagen
En lichte dagen gaan en sluierende nachten, En slaap verheft zijn stem en suit mij zachtjes in, En geeft zoo lieven troost aan droomen en gedachten, Dat ik den nieuwen waak gelijk een kind begin. Mijn handen vragen buit, ik
Gesprekken in den schemer I-III
I Uw handen zijn in ’t licht zoo schoon ontbloeid. – Ik zelf ben in den schemer weggevloeid. Waartoe hun bleeke deernis buiten u? – Om u te troosten, stil omsluiten ze u. Wat wil hun streelen en hun blinde