De boomen overijlen zich te bloeien. De bloemen geuren overdadig mild. De jeugd glanst als een bliksem, en zijn gloeien Is even snel en schrikkelijk en wild. De hemel teistert met afgunstig waaien. Naakt staat de boom als een geschoren
Tag: gedicht aanwezig
De held
De maan schijnt over levenden en dooden.De overwinnaars plunderen de lijken.De held trapt op de keel van de gewonden. Zijn sterke hand omklemt het breede kromzwaard.Zijn zwaard is heilig, want het heeft gedronkenVan mannenglans en kracht en dapper bloed. Lafhartig
Wachten
Viel er een kleine regen in de nacht? Een kraalgordijn heeft even zich bewogen, Ik luister, en ik houd mijn adem in. Ik stond voor een verlicht papieren venster. Mijn nagel gleed langs het doorschenen vlies, En daadlijk viel een
Oud en dwaas
Ik had een afspraak, en in roode zijde En schoon gewasschen, trad ik voor den spiegel, Ik schrok en toornig trapte ik op het glas. Ik zag: mijn haar was grijs en dor geworden. Mijn oogen waren als het groezlig
Levenseinde
O wreede vrede: langzaam te veroudren. Mijn nageslacht zal zitten aan mijn voeten En tot mij opzien als een hoogen berg, Waarop de gunst des hemels sneeuw gestrooid heeft. Een zoon mijns zoons zal naar mijn voeten tasten. Hij voelt
De keuze
Of wijn of waanzin! wien moet ik verkiezen? Mijn hart is een uit ’t nest gevallen vogel, Die wild verschrikt tusschen twee vallen vlerkt. Kies ik den wijn, dan zal ik aan den grond Genageld liggen, tot de pijn mij
De kinkhoorn
Ik liep aan ’t strand, mijn harde roode voeten Sloegen een kreunen uit het natte zand, En plassend sloeg het water aan mijn voeten. Toen wierp de zee een schoon gedraaiden kinkhoorn, Een parelmoeren kinkhoorn, voor mijn voeten. Ik hief
Melancholisch
Helaas, helaas, helaas, de zomer ging. De laatste boot is over ’t meer vertrokken. Er is geen lied meer uit de luit te lokken. Zwart werd de laan, die vol met lichten hing. Een bedelkind is reeds naar buit op
Lente
De hemel luwt, de lente staat te komen. De visch spat als een vonkenzwerm omhoog. De vogel tooit zich met den regenboog. En eensklaps bloeien de verstokte boomen. Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien. Een rood gewaad heeft
De vreemdeling
Een vreemdeling is in ons huis gekomen.Wij hebben onze wanden zóó geschoven, Dat hij een kamer heeft voor slaap en maal. Nieuwsgierig drukte ik in den wand een gaatje. Zijn bleek gelaat woelde in de zijden kussens.Zijn haarvlecht kronkelde gelijk