Ze heten Jan, en Klaas, en Ko, Hun burgernaam maakt hen verlegen, Die glimt en geurt u muffig tegen Gelijk een appel uit het stro. Geboorte, trouw en overlijden Zien t plechtige familiestuk. Dan stellen zij het weer terzijde, Blij
Tag: gedicht aanwezig
Emblemata – XI Het vuur
’t Wordt laat, het huisgezin gaat rusten. De mannen klopten doodbedaard Hun houten pijp uit bij den haard, Terwijl de vrouw de tuiter bluschte. Nu heerscht er nog alleen de rosse Gloed van het vuur, dat zachtjes knerpt Door de
Emblemata – X Het bed
Hier zijn wij lijdelijk; ontzworven Blindlings aan moeders blinden schoot, Wordt ongewild in u verworven ’t Geheim van slaap en droom en dood. Slaap! dat is groeien en verkwikken Meer dan door lekkernij en brood. Eén wenk van u, de
De mysticus
Handelingen 17: 28. Hij dacht: hoe vind ik God, waar is de Heer? Daalt Hij tot mij, of vaar ik op ten hemel? Vlak voor hem was het bloeiende gewemel Van trillend gras, gelijk een bleekrood meer. Er ging geen
Avondgebed
Gij hebt het daglicht weggenomen, En over onze levenstijd Begint erbarmend uit te stroomen De rust die Gij uw volk bereidt. Er is gearbeid en gezondigd, Met recht verstand en dwaas beleid, God, die aan allen vreê verkondigt, Wij hopen
De brug
Ik heb het fluitje aan mijn mond gezet. Mijn vingers overtrippelen de gaten Buiten mijn tuin ligt de rivier gebed In maanlicht, en er rijst een brug van jade. Een brug van jade overspant het licht, Mollig van schaduw aan
De brief
De ruiter had zich naar mij toegebogen En langde mij een brief van rijstpapier Ik heb mij voor uw ijlbode gebogen. Uw teekens lispelden: kom spoedig hier! Over het blad papier had gij de teeken- bloemen gestrooid met achtloos lief
De banneling
Hoe bar, hoe onverzoenlijk bitter Heerst wintertijd over het land. De bodem prijkt met wit geschitter. De maagre boom staat zwart verbrand. De onzaalge boom schudt zwarte kraaien Onwillig over ’t witte land: Een groot penseel dat onheiltekens waaien laat
De Keizer
De groote keizer heeft met mij gesproken. Ontzaglijk zat hij op zijn gouden troon. Als een gevouwen doek lag ik gedoken, Een zwarte voetmat voor den gouden troon. Boven mij sprak de Lieveling des Hemels En dwong mijn blikken schuchter
De vlieg
Het brommen van een vlieg is in de kamer. Ik kan niet werken door dat domme brommen. ‘k Sla met mijn waairen, links en rechts, vergeefs. De keizer houdt niet van mijn hekeldichten. Hij heeft soldaten om mij uitgezonden. Den