Slagregen, stramme grauwe hagelbuien Beleegren urenlang ons klein prieel. De wijn zwalpt in de hooggemonde schalen. Wij hebben ’t lied van Li Tai Pee gezongen. Een duisternis trok dreigend door ons leven. Het bloed in onze harten zwalpte zwart. Toen
Tag: gedicht aanwezig
De droom
Dit is een droom, die nooit wordt uitgedroomd: Ik ben een bloesemtak onder de sterren, Die ik beneden mij in ’t water zie. Ik zie: ik bloei temidden van de sterren. En langzaam drijft een zachte gele maan Binnen mijn
Troost
Men heeft den Zoon des Hemels afgezet. Hij wou niet luistren naar de mandarijnen. Nu zit hij in een kale kloostercel En stopt zich alle dagen vol met rijst. De rijst is voedzaam en de keizersbuik Zwelt machtiger dan alle
’s Morgens vroeg
De lucht is koel, de nacht is haast verdwenen. De witte hemel is zoo weltevreden En glanzend als mijn uitgeruste ziel. Ik zoem genoeglijk een ondeugend liedje. De slaap bedwelmt de moegewerkte mannen. Er zal wel niemand wezen die mij
De roos
Rijk en luchthartig heeft de roos gebloeid. Haar zijden prachtgewaad was snel versleten. Van een berooid hart wil geen mensch meer weten. ’t Verhaal van armoe heeft nog nooit geboeid. Wie wandelt door een leeggewaaide hof? Wie plukt zich een
Gebed
O Heer, hoe vreeslijk zijn de dagen, Nu heel de wereld schreeuwt van nood, Naar uwe hemel waaien vlagen Kreten om bloed, klachten om brood. Gij geeft, en men verdelgt uw spijze, Verwekt kunstmatig hongersnood, En stilt op uitgezochte wijze
Viaticum
‘Wat haast ge u zonder kijken Langs werelds boedelhuis ? Hier hangt de pronk der rijken Gemerkt met naam en kruis? Die met gewende handen Mijn kleed en beurs betast, Ik spoed mij buiten lande Voorzien van dek en last.
Dogmatiek
Dit zijn de steenen, scherpgerand En rechtgehoekt, die blok naast blok Gestapeld zijn tot hecht de wand En hoog zich het gebouw voltrok, De leer, die afweert en beschut, De sterkte, waar geen voeg of naad Verwijd kan worden of
Bedouinen
Wij hebben de woestijn verkozen; Ons schrikt van het beloofde land, Met tuinen vol gekweekte rozen En druiven langs den muur geplant. Hoe rustig ruischt ’t gezaaide koren, Hoe vredig loeit ’t gefokte vee; Wie hier ontvangen en geboren Werd,
Het kristal
Die angstig uit de wereld vluchtte, Te bidden voor haar diep verval, Steeg in de bergen, en hij duchtte God en bevond zich voor ’t kristal. Wie heeft een stralend licht gegrepen, ’t Naar strenge wetten geformeerd, En scherp gekant