Voor Bram Glimlachend prachtige, en donkerrosse, Doordonderde en ongerepte steppe, Over uw zwijgen en uw razen kleppen De klokken als de spechten in de bosschen. Dagelijks komt dit kloppen tot uw hart En dringt steeds dieper met de bloeddruk binnen
Auteur: Helma
Parijs I
Voor Bram Dit is Parijs: oneindigwijde pleinen (Omgromd van veil rumoer, en bonte seinen Bliksemend tusschen zinloos snelverkeer) In een vreemdgulden eeuwig lenteweer. Van stille en van stuivende fonteinen Is ’t laag ombuigen en het hoog verdwijnen In een vaag
Venetië II-III
Voor Bram II Wie kent u, stad, ofschoon hij van u spreekt? Wie kan uw lente en schoone herfst verhalen, Verweerde steenen, roestende metalen: Hortensia’s, wier kleur is ingebleekt? San Marco, dat met koepels en portalen U aan ’t onmeetlijk
Venetië I
Voor Bram ’t Weerzien was schooener dan het eerst begroeten ’t Water lag wijder en de uitheemsche drooemen Die jarenlang ons kwellend bloed verzoetten, Zijn iederen dag levend tot ons gekomen. Wij gleden in de gondels het verleden Tegen
Het monnikje tot Maria
Voor Wilma Jonkvrouw, misschien vindt gij mijn woorden boud, Maar laat ze voor uw voeten mogen sneeuwen Als rozen en daar bloeiend blijven, eeuwen Aan eeuwen, als uw Zoon aan ’t dorre hout. Ach, beeldeken van donker eikenhout, Ze omsjilpen
Een criticus
Hij is de beste van de epigonen.Zijn verzen zijn, helaas, wel niet veel zaaks,Maar hij weet uiterst scherp al het mismaaktsIn ’t broddelwerk der broeders aan te tonen. Als Vestdijk of Ter Braak heeft voorgekauwd,Begin zijn taaie slijmerige kwijlen.HIj vult
Jonge Germaan
‘k Zag hem ’s middags plots onder de lindenIn ’t watergroene schemerlicht tredenUit het keizerlijkheidenmensch verledenWist hij, felle sperwer, mij te vinden;Deze fiere Fries met het goudgeel haar, De scherpe neus en de smalle wangen; Zijn diepgekaste oogen staan bevangen;Dan